Wetenschappelijke vergadering van de NVNG:‘IMAGING INFLAMMATION’

De wetenschappelijke najaarsbijeenkomst van de NVNG werd op 13 december 2024 in de Eenhoorn te Amersfoort gehouden met als thema ‘Imaging Inflammation’. Na de welkomstwoorden van de voorzitter van de Commissie Wetenschappelijke Ontmoetingen,
(CWO) dr. Tineke van de Weijer startte de eerste ochtendsessie ‘Components of inflammation’ van het door de CWO samengestelde programma onder voorzitterschap van dr. Tineke van de Weijer en dr. Erik Aarntzen met een presentatie van prof. dr. Nick Devoogdt (Vrije Universiteit Brussel) over ‘Macrophages in health and disease’.

Emma Coomans wint Woldring Prijs 2024

Tijdens het najaarssymposium van de Nederlandse Vereniging voor Nucleaire Geneeskunde (NVNG) gehouden op 13 december jl. in
Amersfoort werd bekend gemaakt dat dr. Emma Maria Coomans de Woldring Prijs 2024 voor haar proefschrift ‘Imaging tau pathology using PET.

In memoriam Ger van der Ent (1929-2025)

In januari 2025 bereikte de redactie van het Tijdschrift voor Nucleaire Geneeskunde (TvNG) het verdrietige bericht van het overlijden van Ger van der Ent. Samen met andere pioniers is hij direct betrokken geweest bij de oprichting van de Nederlandse Vereniging van Nucleaire
Geneeskunde (NVNG) in 1968 en vormde hij samen met K.H. Ephraïm, A. Kooman, M.G. Woldring en J. Coenegracht het allereerste bestuur.

EANM 2024 Hamburg: enkele hoogtepuntennucleaire geneeskunde in de oncologie

De opening van het congres van de European Association of Nuclear Medicine (EANM) benadrukte de groei van nucleaire geneeskunde, met een recordaantal deelnemers en abstracts. De focus lag opnieuw op [177Lu]Lu-PSMA, waar de PSMAfore en SPLASH studies in chemotherapienaïeve mCRPC-patiënten verbeterde progressievrije overleving (PFS) aantoonden ten opzichte van een anti-androgeenreceptor wissel. Ook combinatietherapieën, zoals ENZA-P en Upfront, lieten betere PFSresultaten zien door [177Lu]Lu-PSMA te combineren met respectievelijk enzalutamide of docetaxel.

Onderzoek in de kijker Prof. Jan Booij

Prof. Jan Booij is sinds 2009 hoogleraar Experimentele Nucleaire Geneeskunde, in het bijzonder onderzoek naar neuropsychiatrische aandoeningen, aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam (AMC-UvA). In zijn onderzoek richt hij zich op het afbeelden en kwantificeren van neuroreceptoren, met name ten aanzien van het dopaminerge systeem bij de ziekte van Parkinson, dementie met Lewy-lichaampjes, psychotische aandoeningen, obesitas, en drugsverslaving. Daarnaast richt hij zich op cholinerge en het serotonerge systeem, onder andere bij depressie.

De Dutch Parkinson Cohort (DUPARC) studie

De ziekte van Parkinson (PD) is een van de meest voorkomende neurodegeneratieve aandoeningen wereldwijd. De diagnose van PD kan worden gesteld bij aanwezigheid van de typische motorsymptomen, namelijk bradykinesie, rigiditeit en/of rusttremor (1). Naast deze typische symptomen bestaan echter ook een hele reeks belangrijke niet-motorische symptomen zoals cognitieve achteruitgang, gastro-intestinale stoornissen, visuele stoornissen, depressie, apathie, slaapproblemen, en autonome stoornissen. Deze niet-motorische klachten kunnen in elk stadium van de ziekte optreden, maar kunnen ook vooraf gaan aan de typische motorische symptomen (2). De symptomen bij PD zijn heterogeen en verschillende klinische subtypes kunnen worden onderscheiden, elk met een unieke combinatie en ernst van symptomen. Dit wijst op mogelijke variaties in de onderliggende pathofysiologische mechanismen van de PD-subtypes.

Momenteel zijn er enkel symptomatische behandelingen beschikbaar, die voornamelijk gericht zijn op het verlichten van motorsymptomen. Ondanks veelbelovende targets, intensief onderzoek en belangrijke vorderingen in de afgelopen decennia, is er tot op heden geen ziekte-modificerende therapie voor de ziekte van Parkinson beschikbaar. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat er in klinische studies vaak geen rekening wordt gehouden met de verschillende subtypes van PD die patiënten kunnen hebben. De heterogeniteit van de ziekte maakt het moeilijk om een universele ziekte-modificerende therapie te ontwikkelen die bij alle patiënten effectief is. Daarnaast ontbreekt een strategie om patiënten op basis van subtype te selecteren voor klinische studies, wat het ontwikkelen en testen van gerichte therapieën bemoeilijkt. Om de verschillende subtypes van PD en hun progressie beter te kunnen herkennen en behandelen, werd in 2017 het DUPARC-cohort opgericht.

[18F]FET PET gestuurd management van pseudoprogressie bij glioblastomen

Aminozuur PET scans, zoals met de radioligand [18F]fluoroethyl-l-tyrosine (FET), zijn waardevolle aanvullingen op MRI voor de beeldvorming van gliomen, vooral bij het onderscheiden van tumorprogressie versus pseudoprogressie of radionecrose. Deze tracers kunnen de bloed-hersenbarrière passeren en bieden een nauwkeuriger beeld van de tumoruitbreiding dan contrast-MRI alleen. In enkele landen wordt [18F]FET vanwege zijn langere halfwaardetijd en hoge specificiteit voor tumorweefsel het meest gebruikt. De [18F]FET PET scan wordt in Nederland daarentegen nog weinig ingezet vanwege beperkt bewijs voor patiëntenvoordeel, hoge kosten en twijfel onder artsen over de meerwaarde. De FET POPPING trial is daarom gericht op de klinische impact en kosteneffectiviteit van beleid gebaseerd op een extra [18F]FET PET scan. Bij patiënten met een glioblastoom die met chemoradiatie behandeld zijn en bij wie er tijdens MRI follow-up twijfel ontstaat tussen tumorprogressie of pseudoprogressie, wordt gerandomiseerd tussen het wel of niet verrichten van een extra [18F]FET PET scan, waarna klinisch beleid op de beschikbare beeldvorming gebaseerd wordt. Het doel is een snellere juiste diagnose te stellen, wat kan leiden tot een afname van onnodige behandelingen en wachttijd, verbeterde zorg en lagere kosten.

Focal ischemia on [13N]NH3-PET/CT after stent placement: two cases

This case report focusses on two symptomatic patients with focal ischemia on [13N]NH3-PET/CT, occurring either directly or in the years after stenting of coronary artery stenoses. These cases demonstrate bifurcation stenoses of the LAD/septal branch, and the distal RCA/PDA respectively, with remaining ischemia after stenting and subsequent occlusion of the jailed side branch.